Interview

Mijn goede vriend Gerben is behalve schaker ook journalist, niet van het soort dat de mensen naar de mond schrijft, maar oprecht, ongelogen en integer. Talloze malen heb ik hem gesmeekt een stuk over mij te schrijven, maar even zo vaak heeft hij dat afgehouden met de woorden: ‘niet interessant genoeg’ en ‘alleen maar gekkigheid’. Zoals gezegd, hij is goudeerlijk.

Hij vertelde mij een week geleden in een openhartige bui dat hij nog vier beroemdheden voor een interview op zijn hartenwenslijst heeft staan: de schaker Capablanca († 1941), de schrijver W.F. Hermans († 1995), de zangeres Amy Winehouse († 2011) en God. Omdat de eerste drie geen haast hebben, besloot hij om te beginnen met de laatste.

Na twee dagen te hebben nagedacht over hoe dit euvele plan ten uitvoer te brengen, vond hij de oplossing in een beproefde en eenvoudige methode: bidden. Voor het slapen gaan zette hij zich op zijn knieën voor het bed en bad dat het een lieve lust was. Hij hield er rekening mee dat het wel een tijdje zou duren – voor Johan Cruijff, vergelijkbaar omdat die ook tot God verheven is, heeft hij ooit 2 jaar moeten uittrekken voor een interview van 10 minuten – maar hij had de derde dag al beet tot zijn grote verrassing. Terwijl Gerben op zijn blote knietjes op de koude vloer zat, zijn handen gevouwen op het bed en zijn ogen gesloten, schudde God de kussens wat op en nam plaats op zijn bed met Zijn rug tegen de muur. Omdat hij beweging voelde op het matras, opende Gerben zijn ogen en zag nog net hoe God gerieflijk zijn Linkerbeen over de Rechter sloeg.
“Dat is snel!”, zei mijn vriend verwonderd.
“Vandaag zit ik in de regio Nederland en omdat hier niet zo veel gelovigen meer zijn, ben je al gauw aan de beurt. Laten we snel beginnen want ik heb geen eeuwen de tijd”, antwoordde Hij korzelig.

Omdat hij zo’n snel succes niet had verwacht, had hij zich nog helemaal niet voorbereid op dit vraaggesprek. ‘Dat wordt improviseren, niet mijn sterkste punt’, dacht hij nog. Gelukkig had hij wel een blocnote en pen bij de hand.
“De laatste tijd horen we niet zo veel meer van U. Gaat het wel goed met U?”, begon hij.
“Met mij persoonlijk gaat het uitstekend. Ik ben immers God? Maar met de zaken gaat het de laatste tijd wat minder, althans in deze regio. Ik verlies behoorlijk wat marktaandeel aan mijn collega Allah.”
“Zaken?”, vroeg Gerben, zichtbaar onthutst.
“Ja jongen, ook in de Hemel draait het allemaal om marktaandeel. Mijn positie is nog altijd het sterkst, maar die verdraaide Allah zit me op de hielen. Ik moet er niet aan denken dat Hij het voor zeggen krijgt in de Hemel. Dat zou me een saaie boel worden.”
“Saai?”
“Maar natuurlijk! Stel je Minerva eens voor met een hoofddoekje, of Artemis, of Venus! Het is God geklaagd!”
“Minerva, Artemis? Zijn die ook allemaal in de Hemel?”
“ Vishnoe, Thor, Apollo, Zeus, Bacchus, noem maar op. We zijn met z’n honderden. De meesten hebben niks meer te vertellen en doen mee voor de gezelligheid. Ik persoonlijk kan het erg goed vinden met Persephone. God, wat een figuurtje heeft dat mens…”
Zag Gerben het nu goed? Zag hij een rode blos verschijnen op Gods wangen? Verliefdheid, marktaandeel, macht, dat het allemaal zo gewoon en zo banaal zou zijn, is wel het laatste wat hij had verwacht.
“Is er met al die Goden nog wel plaats voor gewone, sterfelijke zielen in de Hemel?”
“Goede vraag. In het begin lieten we iedereen maar toe, maar al gauw zagen we in dat het zo niet verder kon. Het werd veel te vol. Wij Goden hadden natuurlijk wel onze eigen sociëteit daarboven, maar je wil jezelf ook niet de hele tijd opsluiten. Daarom hebben we quota’s vastgesteld. Dat heeft ons gedwongen om keuzes te maken.  Zo richt ik mij nu op de doelgroep ‘schakers’. Mijn volgelingen komen er alleen nog in als ze de regels van het schaakspel kennen.”
“Maar dat is toch niet erg barmhartig?”, vroeg Gerben ontzet.
“Ach, de mensen moeten eens ophouden met dat idealistische gedoe. Al die linkse prietpraat is al lang uit de mode. Zelfs wij kunnen het niet iedereen naar de zin maken, Allah niet, Shiva niet en ook ik niet. Verschil moet er zijn. Je bent uitverkoren of je bent het niet.”

Geschokt door deze woorden, besloot mijn vriend het over een andere boeg te gooien.
“Hoe gaat het eigenlijk met Uw zoon? Is Hij al klaar om terug te keren naar de aarde?”
“Welke Zoon bedoel je?”
“Jezus natuurlijk!”, antwoordde hij, overrompeld door zoveel onbegrip.
“Met hem gaat het wel goed, maar terugkeren zit er niet in. Zijn laatste ervaring was zo traumatisch dat ie me bezwoer nooit meer terug te gaan. ‘Stuur mijn broertje maar eens, die nietsnut!’, zei hij. Dus heb ik dat ook maar gedaan”
“Zijn broertje?” vroeg mijn vriend met stijgende verbazing. Dit zou een topinterview worden, zoveel was wel zeker.
“Ja, zijn broertje, Ron heet hij. Die zit al een hele tijd hier, in Nederland nota bene, maar er is nog niks uit zijn handen gekomen. Jezus heeft gelijk, het is een nietsnut. Die jongen zit maar een beetje te schaken en blogjes te schrijven. Alsof je daar volgelingen mee wint! Hij doet helemaal niets aan de marketing. Sterker nog, hij ontkent voortdurend mijn bestaan. Dan is het ook niet gek dat je marktaandeel verliest. Ik weet echt niet wat ik met hem aanmoet. Maar nu wordt het veel te persoonlijk. Mijn familie aangelegenheden gaan je niks aan. Bovendien wacht Persephone op me.  Ik ga er vandoor, tabee!”, besloot God, Gerben in totale verwarring achter latend.

Hij hees zich op het bed en wreef zijn pijnlijke knieën. Dit was toch wel een heel onthullend vraaggesprek geweest. Wat moest hij hier mee aan? Kon hij dit wel publiceren? Mijn vriend las zijn aantekeningen nog eens door, schudde vermoeid zijn hoofd en verviel in een eindeloos gepieker. Dagenlang verkeerde hij in tweestrijd. Hij at nauwelijks meer, deed de deur niet open en nam de telefoon niet op. Maar vanmorgen belde hij mij.
“Zeg Ron, misschien is het toch niet zo’n gek idee om je eens te interviewen…”