De veerpont en de lampenkap

Zondag kreeg ik  de onbedwingbare drang om met de pont het Amsterdamse IJ over te steken. Ik woon al lang niet meer in Amsterdam, maar de herinneringen aan die veerpont zijn nog levendig. Als kind maakte ik bijna wekelijks de overtocht van het Centraal Station naar Amsterdam Noord om mijn oma te bezoeken die in Nieuwendam  woonde. Tijdens de tocht die hooguit 3 minuten duurde, staarde ik gebiologeerd naar de schuimkopjes die tegen de vierkante romp klotsten en voelde ik me even als een matroos, bootsman of stuurman uit de zeemansverhalen die ik als kind verslond. Omdat er in mijn klas geen kinderen zaten met een oma in Amsterdam Noord, mocht ik mijn klasgenootjes graag de ogen uitsteken met mijn ervaringen op de grote vaart. Mijn vrouw heeft nooit een oma in Noord gehad en vond het een belachelijk plan.
-Denk je er om dat we vanmiddag beloofd hebben naar mijn moeder te gaan- zei ze waarschuwend.

Maar omdat het om een onbedwingbare drang ging, nam ik op deze winderige zondagochtend toch de trein van Almere naar Amsterdam en liep aan de achterkant het station uit. Er lag gelukkig al een pont klaar lag, zodat ik hier niet hoef te vertellen over het  wachten, het aanleggen,  het leeg en volstromen van de veerpont. Ik stapte als een van de laatsten aan boord en koos een plekje aan bakboord op het achterdek.

Omdat mijn medereizigers allemaal als een haas naar voren waren gelopen om zo snel mogelijk het schip weer te kunnen verlaten, stond ik moederziel alleen op dat achterdek te wachten tot de schipper het bevel zou geven om de laadklep te hijsen en de trossen los te gooien. En juist op het moment dat een matroos op het punt stond de laadklep te sluiten, stiefelde er nog een klein vrouwtje het achterdek op, dat gebukt ging onder het gewicht van een manshoge, ouderwetse schemerlamp. Ze was nog niet aan boord of we stoomden al op naar de overkant.

Het vrouwtje stond nog een beetje na te hijgen en keek wat schichtig om zich heen. Ze hield zich krampachtig vast aan de enorme lamp die wel 30 centimeter boven haar uit torende en die was voorzien van een enorme met vervaagde bloemen geborduurde kap van stof, die bij elkaar werd gehouden door baleinen, aan het uiteinde waarvan geknoopte kwastjes bungelden in de wind. Als de wind aanwakkerde en vat kreeg op de kap, leek het wel of ze elk moment met lamp en al overboord zou kunnen slaan. Ze aarzelde even toen ze zag dat er nog iemand op het achterdek stond, maar schuifelde uiteindelijk moeizaam naar mij toe. Ik vermoedde dat ze hulp zocht bij het hanteren van het gevaarte en knikte haar vriendelijk lachend toe.

-Mooie lamp heeft u daar- zei ik uit beleefdheid.
-Mooie lamp? Je ken hem so van me kreige, dat kreng!- antwoordde ze vinnig. Ze bleek een rasechte Amsterdamse te zijn van naar schatting 50 jaar.
-Maar waarom loopt u er dan zo mee te sjouwen?- vroeg ik geïnteresseerd.
-Me moeder gaat volgende maand eindelijk het bejaardenhuis in en dus sein we d’r spulletjes aan het opruimen. Nou wilde se met alle geweld dat ik dit kreng mee zou nemen, want se vond het zonde om ‘m bij het vuil te sette”- zei ze, met veel nadruk op ‘met alle geweld’. Vol afgrijzen wierp ze een vernietigende blik op de lamp.
-Se wou ‘m eerst nog meeneme naar d’r nieuwe kamer in dat tehuis, maar ik heb gesegt dat het niet mog en gelukkig geloofde se dat. Ik sou me dood schame als ik daar met dat ouderwetse ding sou aankomme. Ik denk dat ie niet eens door de deur sou passe…”-vervolgde ze.
-“Maar nou sit ik ermee. Mot ik ook nog met dat ding op de bus. En je begrijp toch wel dat ik hiermee niet thuis kan komme? Me vent siet me aankomme! Hij klaagt toch al steen en been over alle rotsooi van me moeder die de laatste weken ons huis is ingedrage. Maar dit kreng slaat alles, dat gaat me m’n huwelijk nog kosten!”- en ze sloot af met een diepe zucht vol wanhoop.

Ik had echt met haar te doen, maar wist niet goed wat te zeggen. We stonden even zwijgend naast elkaar over het water uit te kijken, terwijl af en toe de wind onder de kap van de lamp sloeg en het kleine vrouwtje tot grote krachtinspanning noopte om het gevaarte in bedwang te houden. Ik bedacht hoe ik haar kon helpen, maar kon niets zinnigs bedenken. Ik besefte dat we het midden van het IJ hadden bereikt en zag hoe de andere pont ons in tegenovergestelde richting passeerde, toen een even boosaardig als geniaal plan zich in mijn hoofd ontvouwde.

-Gooi ‘m in het water- zei ik onverhoeds. Het was er uit voor ik er erg in had. Ik ben eigenlijk geen voorstander van dergelijke milieu-onvriendelijke oplossingen, maar dit was toch wel een bijzonder geval. Als ik er een huwelijk mee kan redden…. waarom niet? Bovendien ligt het IJ toch al vol met allerlei afval, dus die ene schemerlamp kon er nog wel bij.
Het vrouwtje keek me ongelovig aan en vroeg:
-Meen je dat nouw? Dat ken toch niet? Is het hier wel diep genoeg?-
Met die laatste vraag liet ze blijken het toch wel te willen overwegen.
-“Diep zat”- moedigde ik haar aan –en we zijn alleen hier op het achterdek, niemand die het ziet.-

Het gezicht van het vrouwtje vertoonde eerst een bedenkelijke frons, maar na een paar seconden zag ik hoe er een twinkeling in haar ogen kwam.
-Ik doe het!-, zei ze resoluut en ze bukte zich om de lamp bij de voet op te tillen. Het ding was echter te zwaar voor haar om ‘m boven de reling uit te krijgen, dus voelde ik me verplicht medeplichtig te worden aan haar misdaad en hielp haar het gevaarte overboord te gooien. Met een luide plons ging het te water.

Vol verwachting bogen wij ons over de reling om te zien hoe het onder water zou verdwijnen. Maar tot onze schrik zagen we hoe de enorme lampekap afbrak van de staander en op de golven bleef dobberen. Vol ontzetting keek het vrouwtje toe hoe de wind onder de lampenkap sloeg, waardoor deze al wapperend en opbollend met grote snelheid over het water stoof richting Noordzeekanaal. De kwastjes sloegen wild heen en weer. Op het voordek bogen alle hoofden naar bakboord. Men fluisterde elkaar wat in het oor en wees naar het achterdek, naar ons.

Sprakeloos keken we enige tijd toe in de stille hoop dat het ding toch nog zou zinken. Maar toen dat na een volle minuut nog niet gebeurd was en het steeds verder opstoomde richting IJmuiden, keek ze me paniekerig aan en zei: -Straks moeten de sluizen er nog voor open-.

Toen we van boord gingen, voelden we tientallen blikken op ons gericht.
– Nou bedankt he? – zei het vrouwtje, toch wel enigszins opgelucht.
Omdat ik bang was dat de schipper me bij de terugtocht zou herkennen en aanspreken, durfde ik pas een uur later de pont terug te nemen en kwam veel later thuis dan ik mijn vrouw had beloofd. Toen ik haar het verhaal vertelde, haalde ze haar schouders op, trok haar jas aan en zei kortaf: -Kom, we gaan naar mijn moeder, we zijn alweer veel te laat-.