Kwijt

Strak staar ik je aan maar je ogen draaien weg
Vroeger zat je toch naast me? Schouder aan schouder?
Waarom zit je nu daar, tegenover mij?
met tussen ons een tafeltje met lectuur en stilte

Er woedt een tornado in mijn hoofd
die gooit alle woorden overhoop
Ik grabbel en grijp er één in wanhoop
maar het is niet het woord dat ik zoek

Zo zat je nooit, met je handen friemelend in je schoot
je kijkt opzij naar een plant in de hoek
je lichaam licht voorover, je hoofd wat naar beneden
En ik vraag me af: wie is bij wie op bezoek

Zelfs de muziek kan de stilte niet verbreken
Je glimlach is droef en vol medelijden
Heel jouw wezen is aan het verbleken
En ik? Ik sta nu op de achterzijde

Er woedt een tornado in mijn hoofd
Die gooit al mijn woorden overhoop
Ik grabbel en grijp er één in wanhoop
En opeens zeg ik het woord ‘kwijt’
Triestig knik je en zegt: het is tijd.