Zwart gat
Vanmorgen bij het opstaan voelde ik al dat er iets niet pluis was. Ik kon er niet direct de vinger op leggen wat het nu precies was. Het regende wel erg hard, harder dan ooit tevoren en men sprak op de radio zelfs van wateroverlast hier en daar, maar dat was het toch niet. Het had de hele nacht al geregend, ik had er niet van kunnen slapen, maar het gaf me niet dat onbestemde gevoel van onbehagen, niet dat klamme angstzweet zoals dat vanmorgen vanaf het eerste moment aan me kleefde. Achteraf kan ik vaststellen dat het gewoon mijn instinct was dat me probeerde te waarschuwen voor de naderende ramp. Als ik geweten had dat het mijn instinct was, had ik daar natuurlijk naar gehandeld, zoals alle dieren deden bij de ramp met de tsunami in 2004. Maar wij mensen hebben dat vermogen verloren.
En had ik nu maar gelet op W. F. Hermans en Nescio, onze poezen, dan had ik het eerder geweten. Vanmorgen bij het opstaan stonden ze te dralen voor de achterdeur, wat al vreemd is omdat ze altijd door de voordeur naar buiten gaan. Hermans krabde met zijn nagels aan de deurpost en Nescio draaide klaaglijk miauwend rondjes, terwijl ze meestal lui en slaperig in hun mandje liggen tot diep in de middag. Maar ik had niets in de gaten en liet ze naar buiten. Het viel mij wel op dat Hermans met een forse sprint de tuin verliet, waar hij normaal statig en waardig doorheen schrijdt. Ik zag het wel gebeuren, maar het drong niet tot me door.
Ook het gezicht van de bezorger van de reclamekrantjes had me kunnen waarschuwen. Ik stond net koffie te zetten in de keuken, toen ik hem aan zag komen lopen met zijn pakket aan folders. Het is een aardige Marokkaanse jongen die wat bijverdient om zijn studie te kunnen bekostigen. Vaak loop ik even naar buiten om een praatje met hem te maken. Hij kan prachtig vertellen over zijn geboorteland en kent heerlijke recepten met vis. Ook over zijn tante heeft hij hele verhalen, maar daarover vertel ik een andere keer. Hij stapte opgewekt de voortuin in en knikte vriendelijk naar me toen hij me achter het raam zag staan en richtte zijn blik op het doel waar hij voor gekomen was: mijn brievenbus. En toen zag ik zijn gezicht verstrakken. Hij aarzelde even, wierp de stapel folders van grote afstand naar de voordeur,keek nog even schichtig mijn kant op en keerde mij de rug toe. Daarna stak hij nog wel even zijn hand op, maar verdween opmerkelijk snel uit onze voortuin. Ik zag het wel, maar het drong niet tot me door.
En dan waren er ook nog al die andere tekenen. Waarom hing ‘De schreeuw’ van Edward Munch zo scheef aan de muur in de huiskamer? In 1996 was ik in het Nationaal Kunstmuseum in Oslo om het origineel te bewonderen van mijn lievelingsschilderij. Na het betalen van het entreegeld was ik volledig platzak. Ik wist niet hoe ik terug moest komen naar mijn geliefde Nederland, maar toevallig vond ik die dag een fors bedrag aan Noorse kronen in een afvalbak van de kantine. Daardoor kon ik niet alleen comfortabel met de trein terug naar Nederland reizen, maar kon ik ook nog de mooie reproductie van ‘De Schreeuw’ aanschaffen, die nu nog aan de muur in de huiskamer hangt. Hoe wonderlijk kan het leven soms verlopen. De emotionele kwelling die er uit deze afbeelding spreekt, kan mij tot op de dag van vandaag nog steeds tot tranen toe beroeren. Ik stond vanmorgen al een paar minuten zachtjes huilend te genieten van dit ontroerende tafereel, toen ik opeens zag dat het scheef hing. Een onbekende kracht had er aan getrokken en de wanhopige man schreeuwde nu plotseling schuin omhoog in plaats van recht naar voren. Snel hing ik hem weer recht en droogde mijn tranen. Ik had nog steeds niet door wat er aan de hand was.
Ik keerde me om en zag dat de krantenbak was omgevallen. Waarom had ik dat niet eerder gezien? Het eerste wat ik morgens doe is de krant van gisteren uit de krantenbak pakken. Ik hou niet zo van verse kranten. Ze ruiken nog te sterk en voelen warm en plakkerig aan. Daarom lees ik ze liever de volgende dag, maar vanmorgen had ik blijkbaar niet de rust gehad om mijn normale dagritme te volgen. En waarom stonden de boeken in de boekenkast plotseling in een andere volgorde? ‘Nooit meer slapen’ stond nu plotseling aangeleund tegen ‘Titaantjes’! Het was alsof een reuzenhand de hele boekenkast met grof geweld door elkaar had geschud als een pak kaarten. Was de werkster soms bezig geweest? Maar ik heb helemaal geen werkster…..
Het leek me beter om nog even naar bed te gaan. Ik voelde me gewoon niet goed en als ik nog wat zou kunnen slapen, zou alles misschien weer gewoon zijn. Ik liep de trap op en opende de deur van mijn slaapkamer. Maar wat was dat nou weer? Wat deed die vrouw daar voor onze kledingkast, halfnaakt bovendien! Ik besloot om me maar terug te trekken, want ze stond op het punt haar T-shirt over haar hoofd uit te trekken. Het zou ongepast zijn nu naar binnen te gaan, dus ik ging maar weer terug naar de huiskamer, mij vast voornemend haar eens stevig aan te spreken als ze naar beneden kwam. Wat moest ze hier in mijn huis? En dat onzedelijke gedrag….! Nee, ik zou haar eens goed de waarheid zeggen! In mijn hoofd bedacht ik al de zinnen die ik haar zou toebijten, toen de bel ging. Heb ik dan nooit even rust! Ik opende de voordeur en zag de postbode staan. Hij stond zeker drie meter van me af en helemaal tegen de zijkant van ons huis gedrukt.
– “Ik moet u waarschuwen, meneer Den Dolaard, zo gaat dit niet langer. Als het morgen niet is opgelost, bezorg ik geen post meer”- zei hij dreigend en wees naar beneden. En toen zag ik het eindelijk!
Een groot, gapend gat zat er vlak voor mijn voordeur! Alle tegels waren er in verdwenen. Terwijl ik er vol ontzetting naar keek, zag ik hoe er langs de randen van het gat aarde afbrokkelde, dat in een onpeilbare zwarte diepte gleed……een zwart gat! Ik kon het haast niet geloven, maar ik kon niet om de feiten heen: er zat een zwart gat onder mijn huis. De postbode stapte voorzichtig iets naar voren, bang om er in te verdwijnen.
– “Hier is uw post en doet u er snel wat aan”- zei hij en duwde me, zich over het gat buigend, een brief in de hand. Ter afscheid tikte hij nog even tegen zijn pet en verdween met kordate pas uit mijn voortuin. Waarom droeg hij een uniform dat al lang niet meer wordt gebruikt? Het was alsof voor hem de tijd 50 jaar geleden stil was blijven staan. En dan dat stomme tikken tegen zijn pet! Ik schudde mijn hoofd en sloot de voordeur, totaal in verwarring……
Dat uitgerekend mij dit nu moet overkomen, een zwart gat recht onder mijn huis! En als het nu een verschijnsel zou zijn dat je dagelijks tegen kan komen, dan kon ik het nog begrijpen. Maar zwarte gaten op onze aarde zijn uiterst zeldzaam. In ons zonnestelsel kom je ze natuurlijk wel veel tegen, maar nu zit er een recht onder mijn huis. Hoe lang zou het duren voordat mijn hele huis er in zou verdwijnen? En zelfs al zou het meevallen en bleef mijn huis gespaard, dan nog heb ik het probleem van de waardevermindering. Mijn pensioenvoorziening is al niet zo goed, maar nu is er helemaal niets van over. Wie wil er nu een huis met een zwart gat? Ik voel opeens de brief in mijn handen die ik zojuist van de postbode kreeg. Ik kijk er naar en zie er vreemde tekens op staan. Ik herken terstond het handschrift van God. Wat gebeurt er toch allemaal, wat is dit een wonderlijke dag, een brief van God, juist nu!
In totale ontreddering val ik neer op de bank in de huiskamer. ‘Hoeveel tijd heb ik nog?’, vraag ik me af. Kan ik nog een kopje koffie drinken om een beetje tot rust te komen en die brief te lezen, of is het dadelijk te laat en verdwijn ik met mijn hele hebben en houwen voorgoed van deze aardbodem? Aan de andere kant, waarom zou God mij een brief sturen als ik de tijd niet meer zou krijgen om ‘m te lezen? Mijn vertrouwen in God is echter wel vaker misplaatst gebleken, dus ik kan het gevaar maar beter onmiddellijk onder ogen zien. Ik sta op om mijn jas aan te trekken. Ik moet dit huis uit, en wel meteen. Het zou een veel te groot waagstuk zijn om te proberen nog wat van mijn bezittingen te redden. Ik loop naar de deur, maar bedenk me opeens dat het wel handig zou zijn om mijn paspoort en mijn vrouw mee te nemen. Wat is het toch gek dat je in doodsgevaar toch nog vaak de juiste beslissingen neemt. Natuurlijk moet ik mijn paspoort meenemen, ik moet toch kunnen bewijzen wie ik ben?! Zonder mijn persoonlijkheid ben ik helemaal niets en kan ik beter van deze wereld in dat zwarte gat verdwijnen, dus ik ren naar boven mijn slaapkamer in, waar ik mijn paspoort bewaar.
Paniekerig duw ik mijn vrouw aan de kant. Ze staat de was te vouwen, nog totaal onwetend van alle rampspoed die over ons is gekomen.
Ik zoek haastig in de lade van mijn bureau.
-“Wat zoek je? Wat is er aan de hand?”- vraagt ze, geïrriteerd door mijn gedrag.
-“Ik zoek onze paspoorten. We moeten stante pede weg. Er zit een zwart gat onder ons huis”- zeg ik hijgend en begin de rommel uit de lade door de kamer te gooien.
-“Ach idioot, stop daar onmiddellijk mee. Is het weer zover? Waarom kan je nooit eens ernstig zijn?”- Ze pakt me bij de schouders, draait me op en kijkt me bestraffend aan.
-“Schrijf toch eens een gewoon verhaal! Trek nu meteen je jas uit en ga naar beneden!”- Haar ogen spuwen vuur.
-“En geef die enveloppe hier……straks vergeet ik weer de rekening van het elektriciteitsbedrijf te betalen door die malligheid”-